Altaplana, world of Francois Schuiten and Benoit Peeters

the impossible & infinite encyclopedia of the world created by Schuiten & Peeters

User Tools

Site Tools


Sidebar

Main menu

Browse dictionary

Browse in logical order:
Persons | Cities | Albums | More...

Browse in chronological order:
Timeline | Obscure Timeline | New pages

Browse in alphabetical order:
A | B | C | D | E | F | G | H | I | J | K | L | M | N | O | P | Q | R | S | T | U | V | W | XYZ


Visit also

Visit Catalogue

Visit Office of Passages

Visit Atlantic 12


Follow us!

Visit altaplana on Facebook Visit altaplana on Google plus Visit altaplana on twitter


François Schuiten over La Cenerentola en Expo 2000

“Nu eens een opera, dan weer een strip”

Michel Kempeneers

[intro] Vrijdag gaat in De Munt de nieuwe productie van La Cenerentola, de opera buffa van Gioachino Rossini, in première. De decors werden ontworpen door striptekenaar en scenograaf François Schuiten, die hiermee voor het eerst meewerkt aan een opera. Als bedenker van het paviljoen der Utopieën voor de wereldexpo in Hannover later dit jaar staat Schuiten ook internationaal fel in de belangstelling. Maar wil nu toch al een tipje van de sluier oplichten.

[body] Brusselaar François Schuiten (1956) is vooral bekend als striptekenaar en illustrator. Met de succesrijke stripserie De duistere steden (uitgeverij Casterman), die hij samen met Benoît Peeters bedenkt, bereikt hij ook een publiek van niet-striplezers. Vermoedelijk door het onconventionele karakter van de reeks, waarin steden en niet zozeer traditionele striphelden centraal staan. Dat die steden meestal bestaan uit fraaie, art nouveau-achtige architectuur zal daar ook wel een rol bij spelen. Het leidde alleszins tot het hardnekkige misverstand als zou Schuiten architect zijn.

Dat Schuiten zich graag en geregeld inlaat met verwante media, is echter minder bekend. Allicht door het tijdelijke karakter van vele projecten, of omdat de pers niet op de hoogte was. Schuiten werkte onder andere mee aan de films Gwendoline van Just Jaeckin en Taxandria van Raoul Servais, aan de animatiefilmreeks Les Quarxs van Maurice Benayoun, aan een theaterproductie van Maeterlincks La Princesse Maleine, ontwierp de inkleding van het Brusselse metro-station Hallepoort en het Parijse Arts & Métiers, een muurschildering in Brussel (aan de Kolenmarkt) en het Zuid-Franse Angoulême, werkte met Benoît Peeters de scenografie van het Mundaneum in Mons uit, bedacht het concept voor het toekomstige stripmuseum in Groningen, was verantwoordelijk voor het Luxemburgse paviljoen op de wereldexpo in Sevilla, nam deel aan de Biennale van Venetië en aan de succesrijke expo Cités-Ciné, enzovoort.

Hoe komt François Schuiten nu weer in de operawereld terecht? De regisseur en de dramaturg van de productie, François De Carpentries en Karin Van Hercke, zijn me een dik jaar geleden komen opzoeken. Zij hadden een exemplaar van mijn boek De archivaris bij zich en wilden proberen vanuit dat universum iets uit te werken. Dat zag ik wel zitten, want het zou mijn eerste opera zijn, en voor zo'n eerste keer kon het enkel een voordeel zijn dat ik al vertrouwd was met het universum. Omdat ik hen nauwelijks kende, hebben we eerst wat over en weer gediscuteerd en constateerden we dat we op dezelfde golflengte zaten. Dat is het stadium waarin ik beslis of verdere samenwerking mogelijk is. Als het niet klikt, begin ik er niet aan. Ik heb dan voorgesteld te werken rond een gigantisch boek waar heel het verhaal uitkomt, en daar is dan het idee van de bibliotheek bijgekomen.

Hoe gaat de samenwerking precies in zijn werk? We dialogeren over en weer, en ik stel vanalles voor. Beetje bij beetje groeien de ideeën naar elkaar toe, en ik evalueer wat mogelijk is. Dat was ook het ogenblik dat ik een assistent toegewezen kreeg. Die helpt met de plannen en bouwt ook een maquette. Dat schaalmodel speelt een heel belangrijke rol, want het houdt al rekening met de beschikbare ruimte en andere beperkingen. Het is bijvoorbeeld de bedoeling dat de opstelling ook kan worden gebruikt in heel andere operahuizen — allesbehalve evident, want de indeling daar is soms totaal anders. Zodra De Munt de maquette heeft goedgekeurd, begint de eigenlijke ontwerpfase: dan worden de definitieve plannen opgemaakt. Men contacteert diverse ateliers en zoekt uit of het project past in het budget.

Draait zo'n samenwerking om het visualiseren van de ideeën van de regisseur, of is het meer? Wel, ik zie mezelf niet als decorbouwer — ook al staat het zo in het programmaboek — maar als scenograaf. Ik wil betrokken worden bij het verhaal, het thema, de essentie. Het betekent dat je óók nadenkt over de beschikbare ruimte, dat er een echte dialoog is. Het belangrijkste is dat je je kan terugvinden in de thema's, waardoor je er een meerwaarde aan kan geven en je de zin van het werk kan zien. Als ik er enkel ben om iets op de achtergond te tekenen of iets uit te voeren dat de regisseur al in zijn hoofd heeft, interesseert het mij niet. Als ik echter aanvoel dat we samen iets kunnen realiseren, stel ik me volledig ten dienste van het project.

Je geeft dus je vrijheid op? Dat is evident. Als ik een 'exposition spectacle' (een combinatie van een tentoonstelling en een scenografie, mk) bouw, ben ik zowel regisseur als scenarist en vervul ik alle rollen een beetje, zoals bij een strip. Een operahuis functioneert met heel precieze verantwoordelijkheden, veel meer afgebakend.

Het is geen nadeel dat je rekening moet houden met heel andere aspecten zoals het financiële, de mogelijkheden van de ruimte, …? Neen, dat stoort me helemaal niet: noch de budgettaire, noch de ruimtelijke beperkingen. Het geeft pas problemen als de beperkingen zelf, bijvoorbeeld het budget, veranderen, want dan kan je van nul herbeginnen. Trouwens, zelfs het stripverhaal heeft beperkingen, te beginnen bij de kadertjes. Strip is uiteindelijk een erg gecodeerd medium. Ik geloof niet in creativiteit zonder beperkingen. Integendeel, het zijn die randvoorwaarden die de creativiteit prikkelen.

Welke waren de belangrijkste moeilijkheden bij La Cenerentola? Eerlijk gezegd, het is heel vlot verlopen en ik heb er veel plezier aan gehad. Het heeft me nooit echt verontrust. Voor mezelf was het niet gemakkelijk omdat ik iets goed wilde maar het ontwikkelingsproces van zo'n operaproject is uitstekend afgelijnd. Ieders taak ligt vast, van bij het begin van de scenografie weet men precies wat er juist op welk moment zal gebeuren.

Was je vóór dit project op de hoogte van tendenzen binnen het decorbouwen voor opera? Een beetje, vooral op een meer algemeen niveau. Ik ben bijvoorbeeld erg geïnteresseerd in het werk van Bob Wilson, die ik al jaren volg. Ik was dus geen totale leek, al kan dat juist interessant zijn voor een frisse, onbevooroordeelde kijk op een medium. Het nieuwe van de eerste keer heeft toch iets magisch. Het is de eerste keer en dat is altijd de mooiste: het eerste boek, de eerste tentoonstelling, …

Kende je La Cenerentola al vóór deze productie? Nee. Ik heb wel wat opera's gezien in De Munt, maar ik ben geen specialist. Ik hou van klassieke muziek, maar ik heb te weinig bagage om het subtiele van een stuk of een uitvoering te ontdekken.

In hoeverre is een decor belangrijk voor opera? Het draait toch in de eerste plaats om de muziek? Uiteraard. Maar ik denk toch dat er vraag is naar het creëren op scène, naar het opwekken van nieuwe emoties, het verrassen.

Vergelijk het werk aan La Cenerentola eens met dat voor de Expo 2000? De mensen van De Munt doorlopen bij elke productie een gelijkaardig proces, en hebben daardoor een grondige kennis van de noties decorbouwer of regisseur en alles wat daarbij komt kijken. De wereldentoonstelling is iets gigantisch, daar zijn de beperkingen van een heel andere orde. Bij zo een groot project is men verplicht een enorm productie-apparaat op poten te zetten. Dat is erg log en dikwijls in handen van mensen die dat niet gewoon zijn. Er zijn gewoon heel weinig mensen die ervaring hebben met zulke immense spektakel-projecten: die opeenhoping van onervarendheid maakt het erg erg moeilijk.

Wat is het centrale idee van het Paviljoen der Utopieën? Het heet Planet of Visions. Het vertelt het verhaal van de utopieën in enkele kleine en één grote scenografie, die een visioen van het paradijs is. We zien de symbolen van de grote utopieën: de sociale utopie, de apocalyptische utopie, de utopie van de machine, van de voortbewegingsmiddelen, van de stad, de mythes… Dat zal allemaal in een immens panorama van vijf meter diep en 120 meter lang vervat zitten. Het is bijna een panorama van 360 graden. Het wordt ontworpen volgens een negentiende-eeuwse techniek die door veel schilders en beeldhouwers werd gebruikt. Uiteraard in combinatie met hedendaagse mogelijheden: het geheel zal worden bestuurd met computers die de lichtinval, het geluid, de geur, … zullen veranderen en allerlei speciale effecten gebruiken. Heel dat panorama zal in zes minuten van een heel positieve in een slechte, onrustwekkende utopie veranderen.

Je werkt ook mee aan het Belgische paviljoen? Ja, aan de Belgische ruimte ervan. In het Belgische paviljoen is er een Vlaamse, een Waalse, een Brusselse en een Belgische ruimte. Fascinerend is dat, want je kunt niet spreken van een Belgische cultuur: er is een Vlaamse, een Waalse en een Brusselse cultuur. Wat moet je dan over België vertellen? Het is ook fascinerend omdat het gebeurt op een moment dat België eigenlijk aan het verdwijnen is. Het is misschien de laatste keer is dat we een Belgisch paviljoen hebben. Bij volgende wereldtentoonstellingen wordt het ongetwijfeld een Vlaams en een Waals paviljoen.

La Cenerentola wordt opgevoerd tot 17 februari. Info en tickets: 070-233.939 .